Het landschap begint te veranderen. We komen door een boabab gebied. Overal om ons heen zien we de reusachtige, stokoude bomen staan. We zijn diep onder de indruk en ondanks dat we snel onze bestemming willen bereiken kunnen we het niet laten even te stoppen om een foto te nemen. De zon schijnt roodgloeiend. Even later rijden we nog langs een veld dat in brand staat. We kunnen Parfuri niet een, twee, drie vinden en komen nog wat mensen tegen aan wie we het vragen. Telkens zijn we er bijna. Het moet nu echt, de benzine is echt op. De reservetank ook. Maar dan zijn we er ineens.
Parfuri blijkt niet meer dan een klein grensdorpje te zijn, vergelijkbaar met Chiqualaquala. Ook hier weer de vervallen huizen, waartussen men in hutjes woont. In het donker rijden we erin en een paar seconden later rijden we bijna tegen het grenshek op. Weer dicht natuurlijk. Dan moeten we hier maar weer slapen, maar waar? Terwijl we te voet rondkijken naar mensen, zien we drie mensen aan komen lopen, waarvan een in uniform, met baret en al. Dat zal de douanier zijn. Als we tegen ze praten staan ze ons eerst alleen maar aan te staren, alsof we uit de lucht zijn komen vallen. Uiteindelijk blijkt dat we onze tent kunnen opzetten bij het hek, onder een soort afdak. We zijn uitgeput.
We vullen onze zak weer op met water bij een kraantje en koken ons laatste eten. We wassen ons een beetje met het water en steken een kaars aan, die alsmaar uitwaait, want het begint aardig te waaien. Wanneer we besluiten nog thee te drinken en te gaan slapen, komen er ineens een aantal mannen aanlopen. Een daarvan herkennen we als de bijrijder van de Limpopo! Deze is ondertussen weer verder gereisd met drie andere mannen in een 4×4 busje. We begroeten elkaar vriendelijk en met veel gebaren vertellen we van onze avonturen, maar zijn eigenlijk veel te moe. De mannen staan bij het muurtje en ineens worden er allemaal zakdoeken tevoorschijn gehaald en open geknoopt. Daarin bevinden zich geroosterde noten, vis en kip. Ze vragen ons mee te eten. Wij geven hun thee, maar zij hebben ook nog flessen frisdrank, wat natuurlijk veel beter is. Uiteindelijk gaan we maar slapen. ‘s Nachts waait het zo hard dat de tent bijna omwaait, maar het is lekker koel en slapen doen we toch wel.